Image 1

Humor in tijden van rouw en verdriet, evident klinkt het niet. Zelfs Richard Hattink zoekt tijdens dit interview voorzichtig naar de juiste nuance. Tegelijkertijd balt hij ook af en toe zijn vuist. Omdat hij er rotsvast in gelooft: verdriet heeft humor nodig, en andersom. Het is nooit het één óf het ander. Zo ervaart hij het ook in zijn uitvaartpraktijk ‘BijDeHand’, die zich toelegt op jonge gezinnen waarin een ouder overlijdt. Een gesprek over oprechte aanwezigheid, afgestemd op wat een gezin nodig heeft. Een verhaal over donkerte en lichtpuntjes — heel veel kleine lichtpuntjes.

Rouw en humor blijven voor velen intuïtief tegenstrijdige emoties. Voelt dat voor jou anders?

Voor mij liggen rouw en humor eerder in elkaars verlengde. Ze raken elkaar, versterken en verzachten tegelijk. Na een overlijden staan alle zintuigen en emoties wagenwijd open. Juist dan mag humor er zijn. Juist dan is er ruimte voor een gniffel. Het helpt soms om de gedachten even weg te halen bij de rauwe pijn. Humor kan ook de angel uit een moeilijke situatie halen. Soms loopt het bijvoorbeeld vast bij het regelen van de afscheidsdienst — dan gaat het over de kleur van de kist of het aantal rouwannonces. Een flauw grapje op zo’n moment kan net genoeg zijn om terug te keren naar de essentie. Op die manier maak ik ruimte om te gniffelen. ‘Lachen’ voelt voor mij als een te luid en te enthousiast woord. ‘Gniffelen’ past beter. Het roept eerder een glimlach op, een zacht ‘dit-is-wel-leuk-gevoel’.

Ontstaat die humor makkelijker bij kinderen dan bij volwassenen?

Algemeen kunnen kinderen in rouw heel snel schakelen tussen verschillende emoties en gedachten: het ene moment zijn ze erg bezig met verdriet en het andere moment met de toekomst. Daar hoort dat stuk humor bij. We mógen lachen.

“We mogen lachen”, zeg je heel expliciet. Zit daar vaak nog schaamte?

Het is inderdaad niet gewoon voor de mens om te lachen in een verdrietige situatie, maar die schaamte hoeft niet gevoeld te worden. Humor mag er zijn — juist ook om eer te doen aan degene die is overleden, en aan de mensen eromheen. We zijn zo gewend om volledig stil te vallen na een overlijden. Maar door een gniffel komt er weer iets in beweging. We keren terug naar het dóórleven, in plaats van vast te raken in een dikke brij waar je moeilijk uitkomt. Humor brengt lucht, en die lucht brengt stroming. Dat is soms precies wat nodig is. Een voorbeeld: een jonge moeder had afscheid moeten nemen. De hele kamer stond vol rouwbloemstukken, waar haar zoontje van negen maanden echt niet vanaf kon blijven. We gebruikten de hondenbench om de bloemen af te schermen. Door grapjes konden we even stilstaan: wat vindt de hond hiervan? Wat zou papa hiervan gevonden hebben?

Hoe vind je daar als buitenstaander de juiste toon? Hoe zorg je dat het niet kwetsend wordt?

Op het moment dat ik als professional de humor bewust zou introduceren, als het ware een grappenboekje zou opendoen, dan zou ik erover kunnen gaan. Dan neem ik iets bij mensen weg. Ik vertrek eerder vanuit een afgestemdheid op de mens waar ik te gast ben. In het verzorgen van een overledene zei een kind: “ha, dit gaat heel anders dan toen de poes doodging”. Ik haakte hierop in door te zeggen dat we papa niet in de poezenmand konden begraven. Ik omarmde de humor die in de kiem al aanwezig was. En dat kan over heel eenvoudige dingen gaan. Zo was ik bij een gezin waarvan de vader net was overleden. Ik zat in de tuin limonade te drinken met hun dochter van een jaar of acht en haar beste vriendinnetjes. Haar moeder wilde erbij komen zitten. Maar toen zei het meisje: “Mam, dit is een kindergesprek, je hoeft hier niet bij te zijn.” Dat kan voor een moeder best pijnlijk zijn. Dus ik zei: “Jij bent de volwassene, en ik ben gewoon een heel groot kind.” Dat grapje ontstond spontaan in het moment, het was niet door mij kunstmatig ingebracht. Heel even bracht het lucht, zonder lomp of grof te zijn. Achteraf kunnen we op zo’n grapje terugkijken. Het laat ook aan de mensen rondom zien dat een beetje gniffelen oké is. Zelfs als er een paar dagen later weer zo’n moment komt waarop je even moet lachen. Dat kan helpend zijn, bijvoorbeeld voor de grootouders. Die vinden het soms lastiger om rouw en humor met elkaar te laten vervlechten.

Kan je verklaren waarom die oudere generatie dat moeilijker vindt?

Zij gaan überhaupt anders met rouw om. De oudere generatie heeft geleerd dat rouw en humor twee aparte werelden zijn. In de jongere generaties mogen die werelden meer vervlochten worden. Dat komt door verschillende dingen tegelijk. Om te beginnen wil elke nieuwe generatie het meestal net anders doen dan hun ouders. Dus als hun ouders verdriet en humor strikt gescheiden hielden, dan willen jongeren juist kijken of die twee wél samen kunnen gaan. Ook cabaretiers bijvoorbeeld durven tegenwoordig wel eens grapjes te maken over dood en uitvaart, waar dat 30 jaar geleden ondenkbaar was. Het wordt meer geaccepteerd om daar, al is het heel klein, bij stil te staan. En dan zijn er natuurlijk ook de sociale media. Daar laten we vooral de mooie kanten van het leven zien. Maar juist daardoor zijn we ook beter gaan herkennen dat er ook in lelijkere momenten iets krachtigs of ‘mooiïgs’ kan zitten.

Krijg je soms de vraag of het wel normaal is om te lachen in zo’n periode?

Zelden hoor ik die vraag zo expliciet. Maar ik zie het soms gebeuren: dat iemand schrikt omdat hij of zij lacht. Alsof ze zich afvragen of dat wel hoort, op zo’n moment. Dan probeer ik duidelijk te maken dat die lach er gewoon mag zijn. Je kan ook niet anders. Die emoties liggen zo dicht bij elkaar. Je kan huilen van het lachen. Maar je kan misschien ook lachen nu je aan het huilen bent. We kunnen deze hele periode toch niet alleen maar wenen? Het mag best af en toe een beetje luchtiger zijn. Ik was eens bij een gezin waar gewacht werd op een euthanasie. Op een gegeven moment vroeg ik: “Gaan jullie nog iets doen dit weekend?” Dat is natuurlijk geen neutrale vraag in zo’n situatie. Maar het zorgde er wel voor dat die jonge ouders hun vrienden uitnodigden. Ze lazen de speeches voor die ze al hadden voorbereid voor de uitvaart. En toen ging er een vingertje omhoog: “Maar dát verhaal gaan we niet vertellen.” Ze hebben samen nog een biertje gedronken, en hebben daarna in alle rust afscheid kunnen nemen.

En toch hoor je wel eens, na de dood van mijn geliefde heb ik een jaar niet meer gelachen.

Ja, ik herken die uitspraak. En ik begrijp ook de zwaarte ervan — die klopt, zo wordt het vaak echt beleefd. Maar juist daarom is het waardevol om stil te staan bij de momenten waarop er wél ruimte is voor een voorzichtige glimlach, of iets wat even plezier geeft. Want die pijn hoeft niet 24 uur per dag beleefd te worden. Het is niet zo dat je alleen maar hebt gehouden van iemand als je voortdurend huilt. Liefde mag je ook tonen door dat ene lievelingsgrapje opnieuw te vertellen. Of door nog eens te luisteren naar het stukje van de favoriete cabaretier. Daarmee maak je het verdriet niet kleiner — je brengt juist kleine lichtpuntjes binnen. Je mag dus lachen om een filmpje dat je terugvindt op je gsm. En daarna ook weer verdrietig zijn omdat je weet dat er geen nieuwe filmpjes meer bijkomen.

Kan humor helpen om taboes te doorbreken?

Ik wil humor niet inzetten als breekijzer. Als ik het inzet als middel, ga ik het taboe misschien juist groter maken omdat we het er daarna niet meer over kunnen hebben. Als ik volg wat er gebeurt in een situatie, kan het wel. In mijn praktijk is het gebruikelijk dat de kist er vroeg in het proces is, meestal al vóór iemand overleden is. Zo kunnen de kinderen er rustig op tekenen en schilderen. In die situatie kan ik prima een flauw grapje maken, zoals “Dan kan je er alvast een beetje aan wennen.” Want dat is letterlijk wat er gebeurt. Maar ik zou nooit zeggen: “Ga er maar vast een keer in liggen.” Dan ga ik er zwaar over. Dan ben ik niet gevoelig voor wat er op dat moment speelt. Je kan dat taboe aantippen zonder het helemaal open te scheuren. Zoals je ook je vinger op een blauwe plek kunt leggen zonder erop te drukken alsof je de huisarts bent.

Zijn er ook culturele verschillen in hoe mensen met humor in rouw omgaan?

Absoluut! En dan maakt het niet uit of dat culturele verschillen zijn tussen Vlamingen uit Limburg of De Panne of tussen Syriërs of Turken en West-Vlamingen. Dat is evident en om het even. Je kan de gemiddelde Vlaming of Nederlander ook niet uittekenen. Ook daarin ben ik gevoelig voor wat er speelt. Ook daarin mag het geen kunstje worden. De grapjes die ik vandaag bij dit gezin maak, zijn niet de grapjes die ik morgen bij een ander gezin maak. Die setting is zo belangrijk. Hoe meer twee gezinnen op elkaar lijken, hoe gevoeliger je moet zijn voor die achtergrond. Twee jonge papa’s die doodgaan met elk hun kinderen van twee en vijf, zijn twee verschillende ouders. Wat bij de ene familie past, past misschien niet bij de andere. Cultuur heeft te maken met waar je bent opgevoed en gevormd. Is het in jouw familie bijvoorbeeld de gewoonte om over alles te praten? Of mocht emotie nooit een thema zijn? Dat beïnvloedt hoe we een uitvaart aanpakken. Ik zeg dan graag tegen zo’n gezin: “Ik ben expert op dit gebied, dus ik weet in ieder geval níét wat jullie nodig hebben. Dat gaan we samen ontdekken.”